De nievw-iaerighe hoofdt-backerye, Van alder-hande Zots-hoofden ;
- Lustig makkers wilt u spoeden, / Op dat men elk gerieft naar wensch / De winst moet ons het zweet vergoeden / Om winst alleen arbeydt den mensch. ;
- Eene aerdighe Ionge, ende net opgepronkte Iuffer. // Hervaren Backer van de hoofden / Ick breng u ‘t hoofdt hier van een man, / Die my voor’t echt veel goedts beloofde, / En nu daer niets van doen en kan. / Doch evenwel speelt hy den quaeden, / Wanneer een ander hupzen quant / Verbetert dat gy wel kunt raeden, / Ia maekt aldus bekent zijn schand. / Hy vloekt, hy tiert, schoon hy moet zwijge / Hy schreeuwt luyd op ick ben een hoer, / Om dat ick maeck zomtijdts te krijghen, / ‘t Vermaeck het geen hy my bezwoer. / Nu mits ick mijne jonghe jaeren / Zoo geiren geven volle vreugdt / En evenwel mijne eer bewaeren / Door ‘t kleedt van een geveynsde deugdt, / Zoo ziet, dat gy zijn hoofdt kunt maeken / Zoo lijdzaem, en zoo onbezorgt, / Dat ick gerust met eer kan raeken / Aen d’achterstellen, die hy borgt: / Dat hy niet meer in’t openbaer / Berispt mijn onbekende vreugdde, / Noch iemant kent mijn valsche deugdden, / ‘K bid bakt my zoo een nieuwen jaar. ;
- Eenen Iongen frayen keirel met het hoofde van een oude Vrou. // Terwijl ick even ben getrouwt / Aen een oudt hoofdt, vol rimpel vellen, / Nock ick my uyt dien bandt kan stellen / Die my zoo kankert, en berouwt / Terwijl ick knaptand moet behouwen / En haer omhelzen als mijn vrouwe, / Ia doen de plecht van eenen man, / Die ick uyt walg nauw doen en kan. / Zo vind ick raedzaem haer oudt bakhuys / Is’t in de daedt niet, in den schijn / Ten minst doen aengenaem te zijn, / Gelijck een net geschildert kakhuys: Kan zoo mijn eerste walg vergaen, / Zoo zal ick kunnen lief haer krijgen, / En d’andre Iongheydt stil doen zwijgen, / Die hun op intrest niet verstaen. ;
- Eene oude Vrouwe met een Jongen mans hoofdt. // Och arm oudt zot-hoofdt, als ick ben, / Die nu te laet mijn mislag ken, / VVat had ick buyten mijne jaeren / My met een jonge wulp te paeren / Zoo herdt van kop, ghelijck een stier, / In’t eten gierig, als een gier, / Ja boozer als den helschen drommel, / Hy is Tamboer, maer zije trommel / Helaes is meest zijn oude wijf, / ‘Kheb niet een plaets aen mijn heel lijf / Die niet is schali blauw geslaegen / En noch kan my den schelm behaegen. / Ick zou’er my wel scheyden van, / Zoo ick kost leven zonder man: / Zoo dan om ruste te ghenieten / VVil ick doen zijnen kop hergieten, / En zachter bakken als katoen, / Al zou ‘k verliesen aen’t fatzoen. ;
- Eenen ouden Man ghehorent. // Ick mag mijn hooft oock doen herbakke / En zoo herdt maeken als een steen: / VVant schoon mijn schand’ al is gemeen / ‘K wil even dekken doen mijn takken. ; 6 . Eene oude Vrouwe. // Daer is een Iongman van mijn bueren, / Die ‘k alls mijn eygen hert bemin, / Ick waer van lang naer zijnen zin, / Kost ick een ander tronie huuren, / Of zoo herbakken mijn oud’ huyt / Dat ick mijn vuyl besnotte snuyt / En ingevallen doodts-hoofdts ooghen / Kot levendig, en schoon vertoogen. / Ick gaen te raedt by desen man, / Of hy my niet herbakken kan, / Ia zoo hy my kan jeughdig maeken / En ick door hem de Bruydt geraeken, / Zoo is voor hem dit zaksken goudt: / VVant niets mishaegt zoo zeer, als oudt, / En leelijk in het oog te wezen. / Den Oven kan alleen ghenezen / Den Oven van mijn minne-brandt, / Kom, Meester toont my uw’ verstandt. ;
- Ick lach my slap, als ick bekyk / Den winkel van deez’ zotte bollen, / Maer prijs des Bakkers goed’ praktijk, / Om ’t geldt doen uyt hun zak te rollen. ;
- Zit stil, en schroomt niet, het my hakke / Het zijn maer uw ghehornde takken, / Die ick voor’ eerst af kappen moet, / Eer men uw hoofdt herbakken doet, / Men kan het in den vorm niet zetten, / Zoo lang hun punten ons beletten. ;
- Eene Schoone Ionghe vrouwe. // Ha! wat een simplen gek is mijnen vent, / die hem zoo by den neus laet leyden, / En uyt zijn horens meynt te scheyden, / Voor dat mijn houwlijck heeft een end. ;
- Maer Meester zult ghy my oock / schoonder maeken, / Zal ick niet meer zien, als wel eer, / Of ick gehangen waer een keer, / Noch hebben blau en paerdtsch den / mondt, noch kaeckken, / Ick vrees voor geene pijn, noch smert / Zoo ick maer wel herbakken werd. ;
- Patroon, ick schijn aen mijn gewaet / Te zijn een grooten man van staedt, / Maer die aenschouwt mijn wezen / Kan licht een jongen daer in lezen, / Daerom zoo bakt my een ghezicht / Dat statig is, en jeder sticht, / Geeft my een baert, en straffe tonghe / Die my een man maekt van een jongen: / Of wel ten minst geeft my den schijn, / VVaer door ick schijn een man te zijn. ;
- Och! lieven Bakker zoo gy mijn gelaet / Godtvruchtig in het oog kunt maekken, / Ick zal veel beter aen den kost geraecken, / Als die het best bezet op renten staet. ;
- Het hoofdt van Hercules is pop- / pen-goedt / By het herbakken hoofdt, dat ick u geve, / Zoo gy de Franschen nu niet beven doet, / K’weet niet wat schriklijk hooft hun zou / doen beven. ;
La transformation de / têtes folles. ;
- Courage, mes amis, dépechez vous, / courage, / La follie d’autrui nous donne d’avantage.
- Mon maître, vous voiez, que je suis / jeune enfant / Pour se venger d’un soible époux assez / habile, / Neanmoins ce defaut sa tête est difficile / A souffrir les plaisirs d’un agreable amant ;
- I’épousai pour l’argent une vielle / croupiere, / Que je dois carresser tous les jours malgré / moi, / Ie ne sai on trouver des maîtres comme / toi, / Qui feront agreable une telle goutiere.;
- Ie vous apporte ici la tête d’un époux, / Plus dure, qu’un rocher, plus en rage / qu’un diable, / Grand menager au lit, grand gourmand / à la table, / Fairez le, si vous plaît, un mari tendre, & / doux.;
- Puisque je dois porter le mal de la / veillesse, / Ie veux coûvrir au moins ma honteuse / noblesse.;
- Ah ! comme est la veillesse un fardeau / malheureux, / Quand le coeur n’a perdu les feux de la jeunesse, / I’aime un joli garçon, & lui est sans ten- / dresse, / Mais se je deviens jeune, il sera amoureux.;
- Ie regarde de loin leur follie à loisier, Le mairtre s’enrichit de leur pauvre plaisir.;
- Pour recuire la tête, il la fout desarmer / Yeux tu ètre bien fait ? laissez moi donc / couper.;
- Ah ! quel paisant esprit, qui croit, que / son fontange / Ne montrera jamais les fruits de mon vent / dange.;
- La beauté fait son charme aux yeux / de tout le monde, / Si tu peux m’en fournir, & faire le teine beaux / Le visage attirant, la cheveulure blonde, / N’ajez peur pour ma chair, n’ajez peur / pour ma peau.;
- Ma robbe me fait croire un esprit / achevé, / Mais qui le fonde au fonds il se trouve dupé
- Mon maître donnez moi un regard / hypocrite, / l’en ferai écumer tous les jours ma mar- / mite.;
- Je vous mets sur le corps la tête d’un / Hercule, / Qui vous regardera sans doute se recule.; Men vintse te coop, By Philibert / Bouttats den Ionghen, Plaet- / snijder ende konst verkooper, / woonende in de Wiegh-straet, / by de Meir, tot Antwerpen.
De Meyer, Maurits, Populäre Druckgraphik Europas: Niederlande vom 15. bis zum 20. Jahrhundert, München 1970, nr. 126.
Hazelzet, Korine, Heethoofden, misbaksels en halve garen: De bakker van Eeklo en de burgermoraal , Zwolle 1988, p. 6, 18.
Keeman, J.N., ‘De Bakker van Eeclo, een cosmetisch chirurgavant la lettre?’, Nederlands Tijdschrift Heelkunde 5 (1996), p. 186.
Keeman, J.N., ‘Cosmetische chirurgie, certificaten en de hoofdenbakker van Eeclo’, Nederlands Tijdschrift Geneeskunde 147, 51 (2003), p. 2516.
Wauters, Wendy, Een oven vol van menig hoofd en zotten bol, thesis (KU Leuven, Art History), Leuven 2017, inv. nr. B14.
Wauters, Wendy, 'The Origins of the Furnace Motif. From Magico-religious Ritual to Early Modern Tale of Makeability', Journal of Early Modern Christianity 7, 1 (2020), p. 104, fig. 7.