Noyt en was ick daer soo vele keyaerts waren / Als hier by een zijn, en noch en sijnser niet al, / Men soude hem van alle de keyaerts veruaren / ’T is onmogelijck dat hyse al helpen sal. // Dat waterken [s]al [de pij]ne wat versachten / En de wortele verdwynen ense haer noch baert, / Ghy sijt vrelyck, maar ghy moet ‘u wel wachten / Oft ghy met den meelbuyd[el] bestouen waert // Compt alle keyaerts die met der keyen zijt ghequelt, / ‘Tsy rijck ofte arm, niemant wtghesteken, / Ick Meester Snottolf sal u helpen om ghelt / [Ziet] mijn Conste aen desen keyaert is ghebleken. // Och lief Meester Snottolf, dees man is te deerne, / helpt hem doch, zijn keye is soo diepe ghewortelt, / Ick sal u siet lichten met desen lanteerne, / Ziet hoe die keye daer vore staet en bortelt.